Peter Otten  Mijn artikelen mag u alleen lezen.

<< index artikelen

 

OVER  DE  UIL  DIE  NIET  WILDE  LEGGEN (en  de  uil  die  tien  eieren  had)

tekst en foto:  Peter Otten 

 

Over steenuilen is al veel gepubliceerd. Mooie kweekresultaten zijn al bereikt. Over de ellende die men heeft meegemaakt is merkwaardig genoeg weinig gepubliceerd. Ook daarover wil ik nog wat zeggen.

Kerkuilen doen het in de volière nog beter en worden in het inmiddels beruchte rapport van Vogelbescherming ‘Barnevelders’ genoemd. Legmachines dus. Twaalf eieren gelegd en tien jongen groot! Bureau Laser snapt er helemaal niets van. Men vroeg mij daar: Is een nest van acht kerkuilen mogelijk? Sommige uilen daarentegen willen helaas elk jaar opnieuw maar niet leggen. Ook daarover zal dit verhaal gaan. En uiteraard: wat is er aan te doen? 

Maar eerst iets anders. Veel lezers ergeren zich aan al die verhalen over insecteneters en in tweede instantie ook aan die over uilen. Kwekers van zaadeters snappen niet dat er geschreven moet worden over vogels die ze zelf niet kweken. Welnu, dit nu is precies de volgorde van het legaal worden van de door BEC gepropageerde vogels: zaadeters, daarna insecteneters en tenslotte uilen en roofvogels. In die volgorde. Voor de beginnende vogelliefhebber met zaadetende vogels is dit niet of nauwelijks te pruimen. Hij wil weten hoe hij putters, groenlingen en sijzen op stok kan krijgen. Deze leden van BEC komen veel te kort. Uw verslagen en goede raad blijven echter in hoge mate welkom! Ons aller BEC-info is niet vol te schrijven door een paar mensen. En nog iets: op mijn laatst gehouden lezing waren zegge en schrijven 8, ja acht, leden aanwezig. En dat ging toch echt over voer voor zaadeters. Het weer was te mooi vermoed ik. Toch jammer, voor iedereen, ook voor de vogels. 

Dus tóch weer een uilenverhaal. Eerst de steenuil: een bewoner van kleinschalig boerenland. Maïs is een ramp voor deze vogel. Er zijn geen paaltjes om op te zitten en er huizen geen prooidieren in zulk gewas. En als ze erin zitten zijn ze niet te vangen. Nee, hier en daar een boom, liefst een knotwilg met gaten of een hoogstam fruitboom, ook weer met een gat. Of een oud schuurtje, maar die zijn er ook steeds minder. En graan, géén maïs. Het muizengif verdelgt  muizen, maar de uil die zo’n (bijna) dood muisje vangt blijft niet lang meer gezond, vooral als de volgende prooien dezelfde kwaal hebben. Zieke muizen zijn gemakkelijker te vangen. Kortom de steenuil is hard op weg een bedreigde diersoort te worden. In de natuur wel te verstaan.

Steenuilen in een volière kunnen een ramp zijn voor de buren. Ze maken in het voorjaar flink kabaal. Mijn vraag aan een potentiële koper is dan ook steevast: hoe woont u? Door schade en schande ben ik wijs geworden: verkochte steenuilen kwamen vaak al na een week terug. Ze hielden de buurt flink wakker. Eerst goed nadenken dus. Bovendien zijn er best minder luidruchtige uilen. Keus in overvloed. Ja, er wordt flink met deze vogels gekweekt. 

Hoewel steenuilen in het broedseizoen heel lief zijn voor elkaar, is dat geen garantie voor een lang en gelukkig leven met elkaar. Vóór maar vooral ná het broedseizoen kan zij zodanig de kuren krijgen dat hij uiteindelijk het loodje legt. Zodoende is de vraag naar mannetjes altijd groter dan naar vrouwtjes. Twee aangrenzende volières is een bittere noodzaak, ook uit oogpunt van het welzijn van deze overigens schitterende uil. Begin april kunnen de dieren bij elkaar. Zij verhuist naar zijn volière en niet andersom. Of we zetten de tussendoor open. En dan goed blijven opletten. Twee nestkasten is beter dan één, dan kan ieder in rust zijn/haar gang gaan. 

Ik bezit van deze soort een heel tamme en overigens best vriendelijke uil. Zo’n karakter zou ik graag ook bij de nakomelingen zien. Helaas, geen enkele man was goed genoeg en het was steeds weer oorlog. De vierde (!) echtgenoot (zij had hem nog nooit gezien of gehoord) werd wonderlijk genoeg binnen tien minuten volledig geaccepteerd en de vogels paarden als mussen. Hoe schoon en lieflijk was het leven! Deze goede band en een overvloed aan voer resulteerden al gauw in een eerste ei. Het verwonderde mij wel dat de vogel zelfs na het zesde ei nog geen aanstalten maakte om te broeden. Maar ik ben een geduldig man en wachtte op de dingen die komen gingen. En zie: de vogel ging uiteindelijk toch nog broeden. Er bleef wel veel voer verdwijnen. Bij controle na vier weken bleken er niet minder dan tien eieren te zijn. Allemaal bevrucht, ook dat nog. Misschien dat ik later moet ingrijpen als er jongen achterblijven, maar één troost is er: steenuilen zijn gemakkelijk groot te krijgen met de hand. 

De uil die niet wilde leggen is een heel ander verhaal. Ten eerste ging het niet om een Europese, maar om een exotische uil (Otus choliba) en ten tweede kwamen er geen eieren in de twee eerste jaren. Net zoals bij een ander, wél succesrijk koppel van dezelfde soort, hingen er twee normale nestkasten in, maar bij het bewuste koppel werd er niet gelegd. Ik redeneerde dat het érgens aan moest liggen en timmerde ten einde raad een halfopen nestkast in elkaar. Ook van binnen schilderde ik het hout vlekgewijs donkergroen. Het bleek een wondermiddel; twee weken later lag er het eerste ei. Het verwondert me dat een (on)geluk in zo’n klein hoekje kan liggen. Ook bleek mij dat een beetje nadenken af en toe werkt. 

Ik herinner mij – en dan gaat het weer wél om een Europese uil – een ransuil - die in een bosuilen-nestkast zat met vijf (!) jongen. Ik had nog nooit gehoord van een ransuil in een nestkast. De kast hing in een naaldbosperceel. Helaas werd dat perceel gekapt en de kast met de halfwas jongen werd bij de boswachter neergezet. Deze vroeg ten einde raad wat hij ermee aan moest. Ik stelde voor de kast een paar honderd meter verder te hangen in een aangrenzend perceel. Een wonder geschiedde: de jongen bleken goed gevoerd de volgende morgen en ze vlogen allemaal in uitstekende gezondheid uit. Bij het ringen kreeg ik nog de kans een paar foto’s te maken. Alle vijf de jongen tegelijk op de foto is helaas niet gelukt. Toen ze uitgevlogen, of liever uitgevállen waren, hebben ze nog weken als een roestige scharnier gepiept. Dat is bij een jonge ransuil de enig juiste manier om aan de ouders te eten te vragen. 

Tot slot nog een tip. Uileneieren worden in de machine bebroed bij een vochtigheid van 35%. Dunschalige eieren wat hoger, dikschalige wat lager. Zie hiervoor het artikel van Peter Stocks (Bec-info 2/2005, blz.94). Als het ei aangepikt is moet de vochtigheid flink omhoog. Als we maar één broedmachine hebben, zou dat een probleem zijn, immers de andere eieren mogen niet zo vochtig liggen. Ik los dat op de volgende manier op: ik haal een bakje met twee afdelingen bij de Chinees, met of zonder inhoud, en doorboor met een leertang het deksel op tien plaatsen. De ene afdeling vul ik met een stuk kletsnat tissuepapier en in de andere afdeling leg ik droog papier mét het aangepikte ei. Het ei moet echt wel aangepikt zijn, anders gaat het geheid fout. Deksel er weer op en in de broedmachine terugzetten met de vochtigheid die er moet blijven heersen. Succes verzekerd, immers het ei ligt uit de wind en lekker nat. Zelfs probleemeieren komen keurig uit. Ik grijp nooit in, ook niet als het lang duurt. Wél controleren of de andere afdeling nog nat is. Het is altijd nog goed gekomen! 

Eigenlijk wilde ik over twee soorten uilen vertellen, maar het zijn er drie geworden.

 

Choliba-uil

 

<< index artikelen