Peter Otten  Mijn artikelen mag u alleen lezen.

 

< Terug naar artikelen

 

Wit of toch liever zwart?

Over mutaties door Peter Otten

 

Sommige kwekers zijn volledig verslaafd aan het kweken van mutaties. Daar is wel wat over te zeggen.

Heel veel zelfs. Het ligt namelijk niet zo maar voor de hand om allerlei afwijkingen te fabriceren die door de natuur al vele malen zijn uitgeprobeerd en als niet aangepast ook weer even vlug zijn verdwenen.

De oorspronkelijke en natuurlijke kleur blijkt gewoon de beste aanpassing aan de gruwelijkheden van het leven te zijn. Zo simpel is dat.

 

In ons buurland Duitsland denkt men anders dan bij ons over allerlei zaken. Ik heb daar in een vorig artikel al het een en ander over gezegd. Ook over mutaties en hybriden. Wat die hybriden betreft: dat komt aardig overeen met wat in onze statuten staat. Namelijk dat BEC niet vóór het kweken van deze (overigens soms schitterend uitziende) eindproducten is. Wat mutaties betreft, verschillen wij als BEC-leden echter grondig van mening met onze Oosterburen. De Belgen zijn in dat opzicht onze evenknie, behalve dan ten aanzien van hybriden: zij zijn vóór en BEC is tégen het fokken van bastaarden.

 

In de natuur heersen echter andere regels dan in onze volières. Wat in de natuur een doodzonde is brengt bij ons kwekers eer en geld. Natuur- en volièrebroed zijn aldus niet gemakkelijk te vergelijken. Een spierwitte putter is in de natuur een gevaar voor zichzelf, maar in een kweekprogramma is hij de kip met de gouden eieren.

En die slacht je zomaar niet.

 

Het zal bekend zijn dat verreweg de meeste kleurafwijkingen geen verbetering betekenen voor de vogel zelf.

Het gaat meestal om een verliesmutatie, waarbij er van de kleur minder overblijft dan zou moeten.

De vogel wordt fletser en valt daardoor bij zijn of haar vijanden gemakkelijker op. Bovendien slijt zijn verenkleed sneller, immers de wapening van de veer is ernstig verzwakt. Daardoor verdwijnt een dergelijke kleurafwijking vroeg of laat. Meestal vroeg. Einde verhaal dus.

 

Maar in de volière wordt een dergelijk afwijkend beest verwelkomd als een geschenk van God, immers een nieuwe mutatie is begerenswaardig en brengt alles wat de vogelfokker zich maar kan wensen.

Hoe de vogel er zelf over denkt blijft een onbeantwoorde vraag waar we ons niet of nauwelijks mee bezig houden.

De meeste mutaties zijn voor het beest dat zoiets overkomt een min of meer grote ramp. Er verdwijnt iets en we zouden vaak beter botweg van een aangeboren ziekte kunnen spreken.Toch doen we dat meestal niet.

Kijken we nu eens naar honden, konijnen, kippen, katten, muizen, cavia’s, gerbils, paarden, ratten en recentelijk ook naar reptielen. Dan zien we dat – en laten we ons even beperken tot honden – er zulk een breed scala aan rassen en variëteiten is gefokt dat het ons duizelt. Een hazenwind lijkt helemaal niet meer op zijn oorspronkelijke voorvader de wolf. Laat staan een teckel, of een krentenmik (Dalmatiner). De mens heeft geselecteerd op eigenschappen die hém wél, maar het dier vaak niét aanstonden. Kijk naar honden met bolle ogen, die van de ene oogontsteking naar de andere sukkelen, ter meerdere eer en glorie van de fokker. Weer bij onze Oosterburen is voor dergelijke misbaksels een fokverbod in de maak. Het begin van, in dit geval, terechte overheidsbemoeiing!

 

Terug naar onze geliefde vogels. Een beetje kleurafwijking moet toch kunnen niet waar?

Vaak ontstaat eerst de kleur bruin, dan agaat en als men die combineert, hebben we bruinagaat, of zoals u gewend bent: isabel. Daarna ontstaat vaak pastel, dat weer te combineren is met alle voorgaande kleuren.

Ook heel fraai in onze ogen. Soms ontstaat er een satinet of zelfs een albino en dan zijn alle voorgaande kleuren weer uit de mode. Hoe witter hoe beter. Rode ogen zijn niet alleen op geflitste foto’s maar vooral in de natuur een groot probleem. Een beest met rode ogen is ernstig gehandicapt (het ziet de wereld ongeveer zoals wij die zouden zien bij een felle laagstaande zon recht in ons gezicht) en legt daardoor in de natuur al ras het loodje.

Zo niet in de volière: het beest wordt vertroeteld en met veel kunst- en vliegwerk, dus ook inteelt, wordt een hele kweekstam opgebouwd die lijdt aan hetzelfde euvel. Alleen de vogel wordt er slechter van en toch mooier in onze ogen. Ook de keurmeester zal gunstig oordelen over zulk een wonder. En zo voort.

 

De mens als scheppend kunstenaar.

Eigenlijk zijn het twee werelden. Ik heb groenlingkwekers uit Groot-Brittannië gesproken die toch altijd in de prijzen vielen, maar pertinent geen enkele mutatie wilden hebben. Het werkte. Anderzijds waren daar de mutantenkwekers die ook hoge ogen gooiden en vele prijzen wegsleepten. Het een is kennelijk niet beter dan het andere…….

De kweker maakt zijn keuze. Hij fokt een vogel die hij graag ziet en die op wedstrijden uitblinkt.

Hij investeert veel tijd en geld en heeft een eindeloos geduld. Hij heeft ook zijn geheimen.

Hij geeft een volgens geheim recept gemaakt wondervoer. En hij pleegt geen aanslag op de huishoudbeurs.

Zijn echtgenote staat achter hem. Het geluk lacht hem toe. Mooi toch?

Welke vogel werd in Charleroix op de wereldtentoonstelling gestolen? Jawel! Uitgerekend de satinet putter.

De droom van de kweker. Hoog geprezen en hoog geprijsd. Wég droom. Een gemene dief moest en zou dat beest hebben, of het geld dat hij zou opbrengen. Schande! Pronken met andermans veren, meer niet. Ik kwam toevallig kort daarop bij een te goeder naam en faam bekend staand kweker, die héél toevallig en naadloos aansluitend bij die diefstal, in het bezit kwam van een … satinet putter. Uit de natuur geplukt, zei hij.

Maak dat je oudje maar wijs…

Dat neemt niet weg dat het ging om een schitterende putter. Echt een vogel om te stelen dus.

Een juweel om te zien en kennelijk dus ook om te hebben. Inmiddels zijn er nogal wat nakweekvogels op de markt en de spoeling wordt geleidelijk aan weer dunner. Ik kan er niet omheen.

Een witte vogel is een blikvanger.

Zeker een putter, waarbij het rood en het geel niet zijn aangetast.

Het is voor mij persoonlijk echter een volslagen raadsel waardoor een wit beest mooier wordt gevonden dan één met een meer natuurlijke kleur. Ik heb foto’s gezien van witte vogels waarbij het met geen mogelijkheid was te bepalen om welke vogel het ging. Het opschrift achter op de foto moest de doorslag geven.

De keurmeester zag het aan de gegevens van de ingezonden vogel.

En zo’n vogel won met gemak veel schitterende prijzen.

Ik herinner me op een Britse tentoonstelling een hybride uit putter x kanarie (wat niks bijzonders is), maar het beest had én géén pigment en toch zwarte ogen. Gefokt uit een bonte kanarie en een “gewone” putter.

Een kans van één op de miljoen. Elke week een koelkast of t.v. als prijs is ook niet niks.

Of 150 Engelse Ponden (225 Euro) in contanten. Een droom van een vogel en een niet minder geslaagd huwelijk thuis. Over smaak valt niet te twisten…

Hoe bleker hoe beter. Hoe fletser hoe duurder. Hoe witter hoe hoger de waardering. Het zij zo.

 

De mode bij vogels.

De andere kant van de medaille is zwart. Ik herinner me een eindeloze serie artikelen van ene Bèr Willems, die in een hele boel rustig voortkabbelende artikelen raad gaf hoe je een zwarte kanarie zou kunnen kweken.

Die zwarte kanarie is er natuurlijk nooit gekomen, maar elke maand een nóg spannender verhaal verkoopt ook niet slecht.

 

Een soort soap voor de vogelfokker.

Wie schetst mijn verbazing toen er plotseling een zwarte barmsijs werd gefokt. Niet pikzwart, maar toch wel minstens donkerbruin. De barmsijs in al zijn eenvoud versloeg de kanarie in de wedloop naar het zwarte ideaalbeeld. Wat een nietig vogeltje zoal vermag! Reeën bestonden al langer in een dergelijke kleur, óók in de natuur, dus zo slecht was deze mutatie nu ook weer niet. Hij kon overleven. En wonder boven wonder: de kerkuil, waarvan nog maar één mutatie was ontstaan, was er plotseling ook in zwart, althans donkergrijs. Dominant verervend, dus ook nog eens op te peppen door de factor dubbel op een dier te fokken. En wat te zeggen van de mens zelf?

Die bestaat ook in wit en zwart. Er zijn zelfs albino negers. De kanarie loopt in dit opzicht behoorlijk achter.

Ik weet niet of dat nog ooit goed komt. Donkere dieren worden vaak melanistisch genoemd, wat zwartachtig betekent. Ook in de natuur komen dergelijke vormen voor en ze blijven nog leven ook.

Ook van uilen komen in de natuur vaak melanistische vormen voor. Zo zwart als de nacht.

Zwart of wit dus. Wit vangt eerder onze blik en heeft een betere toekomst. En bont dan? Bij een bonte vogel lijkt wit witter en zwart zwarter. Dat is wéér een ander verhaal. Helaas een verhaal zonder veel toekomst. COM wil geen bonte vogels bij de vogels die BEC-leden kweken. Dat is eigenlijk vreemd. In Groot-Brittannië, waar men geen last heeft van COM en COM-regels, wint een bonte vogel eerder een prijs dan een niet-bonte. Bont is daar in.

Er worden flinke prijzen voor betaald en de gewonnen koelkasten en t.v.’s stapelen zich op.

Ook het familiekapitaal stijgt met de week. Het is jammer dat bont hier niet mag en dus ook geen kans krijgt.

In de sierduivensport denkt men daar anders over en het resultaat mag er zeker zijn.

Ik wil op dit punt de ekster ten tonele voeren. Die is bont, hoe je het ook bekijkt. En hij mag, ook bij ons, op de tentoonstelling komen. Vreemd, dat het wél mag als de vogel van nature bont is. Het bont van deze vogel is wél allemaal keurig symmetrisch: de rechter helft is exact het spiegelbeeld van de linkerhelft. Het is nog schitterend ook. Wist u overigens dat geen twee eksters exact dezelfde aftekening hebben? Toch is het ongelofelijke hier echt waar.

Een klein aantal kwekers is aan de gang gegaan met bonte groenlingen uit, jawel, Groot-Brittannië.

Ze hopen door selectie ooit een gele groenling met zwarte ogen te fokken, juist zoals het met de gele kanarie ook schijnt te zijn gegaan. Het zal lang duren en een hoop geluk vereisen. Het is wél een schitterend doel om na te streven. Nu die trein eenmaal rijdt zullen ook veel bonte vogels het daglicht zien en wat moet men daar nu mee?

Ik hoop dat samenwerking in deze een schone zaak zal blijken te zijn. Hoe meer mensen het doel gezamenlijk proberen te bereiken, hoe beter het is en hoe eerder de gele zwartoog het daglicht zal zien.

We wachten af.

 

Ter geruststelling: ook ik was blij met mijn eerste spierwitte kerkuil en later ook met een zwarte!

 

< Terug naar artikelen